Denk eens aan een pannetje water dat je op het gas hebt staan. Wanneer je de pan opent, zie je dat er aan de binnenzijde druppels tegen de koude deksel zijn gecondenseerd. Proef eens: ze smaken naar… water. Dat valt tegen. Stel nu dat je in datzelfde pannetje wijn kookt en je proeft diezelfde druppels – dan zul je constateren dat die nog een beetje naar wijn, maar vooral heel erg naar alcohol smaken. Gefeliciteerd, je hebt het distilleren ontdekt. Een paar duizend jaar te laat om er patent op aan te vragen, maar toch heel knap. Hieronder leest u meer over de basistheorie drank stoken.
Distillatie is een techniek om door middel van verdamping stoffen in een oplossing te scheiden. Die oplossing is in ons geval dus een alcoholhoudende drank en die stoffen zijn met name water en alcohol. De truc zit hem in de verschillende kookpunten (of damppunten) van deze stoffen. Alcohol kookt op zeeniveau al bij circa 78 °C, terwijl water zoals je weet pas bij 100 °C verdampt. Als je een mengsel van water en alcohol, zoals wijn uit het voorgenoemde voorbeeld, voorzichtig verhit, zal dus de alcohol in eerste instantie iets meer verdampen dan het water en zal de damp meer alcohol bevatten dan het oorspronkelijke mengsel. Door de damp af te voeren en vervolgens te condenseren, scheid je de alcohol van het water: distilleren. Op deze manier maken ze bijvoorbeeld ook benzine uit aardolie. Dat laatste moet je dan maar liever niet proberen met een pannetje op het gas, en ook niet proeven trouwens:+) Door het distilleren kun je een grove scheiding maken tussen de verschillende stoffen, maar geen precieze scheiding. Wil je wel een preciezere scheiding dan moet je het distilleren herhalen. Dat doen we dan ook, meestal (minimaal) twee keer: de ruwstook en de fijnstook.